Karate

Karate-do: concentratie en precisie
In de jaren '70 beleefde karate zijn opmars na de tv-serie Kungfu en de bioscoopfilms van Bruce Lee. Hoewel niet erg bekend zoals Geesink, heeft het karate in zijn topjaren verschillende wereldkampioenen voortgebracht, waaronder Otti Roethof, Kenneth Leeuwin en Guusje van Mourik. ABC Kops geeft les in Wado-Karate: de weg van de vrede.
Karate-do betekent: de weg van de lege hand, wat zoveel wil zeggen als je ongewapend kunnen verdedigen, zelfs tegen gewapende tegenstanders. Je gebruikt je lichaam om te ontwijken en, indien nodig,om aan te vallen. Het 'do' staat voor de erecode van agressie beheersing in plaats van misbruik van technieken. Tijdens het oefenen en bij wedstrijden is contact op het lichaam vrijwel verboden om blessures te voorkomen.

In de kiem smoren
Hoewel het Ju-Jitsu al eeuwenoud is, is het Karate-do pas echt recentelijk ontwikkeld. De karatemeesters hebben zich gespecialiseerd op stoot-, slag- en schoptechnieken, omdat die bij een handgemeen het eerst voorkomen. Je kunt een gevecht het beste in de kiem smoren en de aanvaller direct tot bezinning brengen. Buiten het aanvallen is het systeem van verdedigen en ontwijken eigenlijk het belangrijkste.

Concentratie en  precisie                                                                                   
Daar stoten en schoppen snelle bewegingen zijn is het zeer belangrijk geconcentreerd te zijn om deze aanvallen op te kunnen vangen en te controleren. Een fractie van een seconde onoplettendheid kan betekenen dat je bent uitgeschakeld voor je het weet. Tijdens trainingen oefen je op millimeter nauwkeurige precisie van je aanvallen, ook om je partners niet te blesseren. Het gaat dus vooral om beheersing van emoties (agressie) en de motoriek. Beheersing van lichaam en geest. Zelfbeheersing dus.